Rupsen en vlinders (2)

Naar aanleiding van mijn vorig artikel — Rupsen en vlinders — stelde collega-blogger Illusje mij de volgende vraag:

Illusje:
“Goed verhaal van de rups en de vlinder. Alleen vraag ik me af of wel begrepen wordt dat de zelf die “verdwijnt” (oplost in Waarheid) de (ego)denkgeest is en niet een lichaam… [..] het is juist zo essentieel dat men niet denkt dat het lichaam eerst “dood” moet…”

Dus misschien is het een goed idee om daar iets over te schrijven?

Om heel eerlijk te zijn heb ik geen goed beeld van de mensen die deze blog lezen. Ik ken er een paar persoonlijk en van hen weet ik dat ze begrijpen dat ik met het rupsen en vlinders verhaal niet zeg dat het lichaam dood moet, maar dat het zelf — met andere woorden, de denkgeest die gelooft dat het is afgescheiden van Eénheid en denkt en gelooft een ‘lichaam-brein-systeem’ te zijn — moet sterven.

Van de meeste lezers heb ik geen persoonlijke achtergrond informatie. Ik heb geen idee waar ze zich bevinden in hun ‘spirituele ontwikkeling’ en als er lezers zijn die geloven dat ik het over een daadwerkelijk fysiek sterven van het lichaam heb, dan kan dat in theorie vervelende gevolgen hebben. Niet voor mij, maar voor de lezer in kwestie.

Deze wereld, inclusief het lichaam en alles en iedereen om het lichaam heen, is een illusie. Het is een projectie vanuit de denkgeest die gelooft dat het zich heeft afgescheiden van Eénheid. Vanuit dat geloof in afscheiding, in een poging zichzelf van de waarheid van afscheiding te overtuigen, droomt deze denkgeest een dualistische wereld. Het is zinloos om het gedroomde lichaam dood te laten gaan om een verlichte ‘vlinder’ te worden, aangezien er niet werkelijk een lichaam is.

Dit is waarom zelfmoord zinloos is en geen oplossing biedt. Je kunt niet iets vermoorden dat niet werkelijk bestaat en het lost geen enkel probleem op, omdat het probleem zich niet in het lichaam maar in de denkgeest bevindt dat dit gehele traumatische leven — werkelijk alles wat je denkt mee te maken en te ervaren — alleen maar projecteert. De enige acties die iets kunnen opleveren moeten als gedachtes plaatsvinden in de denkgeest en nergens anders.

Het kan alleen de denkgeest zijn (de rups) die op een gegeven moment genoeg heeft van de Big Macs in de spirituele MacDonald’s (de stupiditeit en onwaarheid van de wereld), zich vervolgens terugtrekt in zichzelf (de cocon) en zichzelf ontbindt tot een soort van oersoep (bijvoorbeeld middels spirituele autolyse!). Die ‘oersoep’ is waar ooit de beslissing werd genomen om te kiezen voor de onjuist gerichte denkgeest (de rups) en nu, terug in die ‘oersoep’, kan er opnieuw gekozen worden voor de juist gerichte denkgeest (de vlinder).

Helaas is het zo dat onze ego-denkgeest — de onjuist gerichte denkgeest vanwaaruit de illusoire wereld wordt geprojecteerd — elk verhaal vertaalt naar een letterlijke betekenis, maar letterlijk niets in deze wereld, in deze droomstaat, is letterlijk letterlijk; alles is symbolisch! Op het moment dat je het letterlijk gaat nemen — of dit nu een spiritueel verhaal is, een heilig boek, een wetboek of voor mijn part een liefdesbrief van de persoon van je dromen — maak je het waar en werkelijk en verleng je de droomstaat.

Niets in deze wereld is waar, niets in deze wereld is letterlijk wat het lijkt te zijn; ALLES IS SYMBOLISCH!! Zolang dit niet tot je doordringt, kun jij — als denkgeest — nooit de eerste stap nemen tot ontwaken in of uit de droomstaat, zul jij je nooit kunnen ontbinden in je symbolische cocon en zul je nooit uitvliegen als die symbolische vlinder.

Rupsen en vlinders

Ik heb de afgelopen weken niets geschreven en qua iets anders ook niet echt iets gedaan. Ik zit een beetje vast in een loop van observeren, aangezien de wereld inmiddels compleet gestoord is geworden. Dit lijkt me een mooi moment om dat te doorbreken en wat me bezighoudt is het idee van de rups en de vlinder.

Ik ben de boeken van Jed McKenna aan het herlezen en hij stipt het verhaal van de rups en de vlinder slechts heel kort aan, maar dat zette me wel aan het denken. Spirituele ontwikkeling wordt namelijk best wel vaak vergeleken met de transformatie die de rups ondergaat om een vlinder te worden en veel spirituele zoekers vinden dat een prachtige vergelijking; want wie wil nou niet een vlinder worden?

Binnen die vergelijking is het ‘zijn in de wereld’ de rups-staat en het ‘zijn in de wereld, maar niet van de wereld’ de vlinder-staat; of anders gezegd, de rups is niet wakker en de vlinder wel; of nog anders gezegd, de rups is niet spiritueel verlicht en de vlinder wel. Met andere woorden, iedereen begint als rups en kan in theorie, middels spirituele bezigheden zoals zelfonderzoek, verlichting bereiken en een vlinder worden.

Als we het idee van een zelf te zijn — het ‘ik ben dit lichaam met deze identiteit’ idee — zien als de rups, dan zijn de meeste mensen als rupsen bezig om een vlinder te worden, maar ze willen dan wel een vlinder zijn zonder het rups-zijn te verliezen. Anders gezegd, IK wil verlicht worden als IK en IK wil dat als IK ervaren. Het is daarom dat het verhaal van de rups en de vlinder zo belangrijk is, want een rups wordt nooit een vlinder als rups en kan het vlinder-zijn ook nooit ervaren als rups.

Sterker nog, de rups en de vlinder zijn twee compleet verschillende organismen en de enige manier waarop de vlinder kan uitvliegen is als de rups sterft. Als dat het geval is, dan is het logisch dat de rups nooit een vlinder wil worden en blijft dooreten van de spirituele voeding die hij voorhanden heeft, tot hij het simpelweg niet meer aan kan. De rups wil zijn dood zo lang mogelijk uitstellen en zal liever net doen alsof hij een vlinder is dan daadwerkelijk een vlinder worden.

Wat gebeurt er met de rups, nadat hij het eten heeft opgegeven en zich terugtrekt in een cocon? Dat is een vraag die zelden wordt gesteld wanneer er weer eens een spirituele goeroe (een rups die doet alsof hij een vlinder is) met het verhaal komt aandraven over de rups die een vlinder kan worden. Het antwoord is: die rups sterft en vergaat.

Wanneer een echte rups in de natuur klaar is met eten, trekt hij zich terug in een cocon. In die cocon sterft de rups en begint te ontbinden. De gehele rups vergaat tot een vloeistof van celmateriaal, waardoor de cocon een soort van baarmoeder wordt waarin, aan de hand van die vloeibare bouwmaterialen, een compleet nieuw en een compleet ander organisme ontstaat: de vlinder!

Ik zeg het nogmaals kort: de rups wordt niet een vlinder, maar de rups sterft in zijn cocon en vanuit het materiaal van zijn vergane lichaam wordt een nieuw organisme geboren… de vlinder.

Dat is het verhaal van de rups en de vlinder en dat is ook het verhaal van het ontwaken uit de droomstaat. Dit verhaal vertelt ons dat wij, als die zelf die we geloven te zijn, eerst moeten sterven om herboren te kunnen worden als een compleet nieuw organisme: een niet-zelf. Dit nieuwe organisme heeft niets met ons oude zelf te maken. Wij zijn dan niet een niet-zelf geworden, maar wij zijn letterlijk gestorven en vanuit het materiaal van ons vergane zelf is een nieuw organisme geboren… de niet-zelf.

Dat is wat spirituele verlichting is, en omdat iedereen eerst moet sterven om herboren te kunnen worden, is dat de reden waarom niemand spiritueel verlicht is en ook waarom niemand werkelijk spiritueel verlicht wil zijn. Wat de spirituele zoekers willen is een rups zijn die denkt en gelooft dat hij een vlinder is, maar geen enkele spirituele zoeker wil werkelijk een vlinder zijn, omdat dit betekent dat hij zichzelf moet opgeven en laten gaan.

Het is de angst om niet meer te bestaan als dat wat we nu denken te zijn wat ons tegenhoudt een vlinder te worden, terwijl een vlinder zijn zoveel geweldiger is dan het zijn van een rups, wat alleen maar een vreetmachine is die aan een tafeltje in de Spirituele McDonald’s zit en een veelvoud aan spirituele Big Macs opslokt alsof het Haute Cuisine is.

Lees ook “Rupsen en vlinders (2)

Een toneelstuk

Het voelt alsof er een oorlog woedt in dit lichaam. Af en toe zijn er hevige conflicten die dan weer worden afgewisseld met rustige momenten, maar veelal blijft het bij pesterijen over en weer en het elkaar uitdagen. Dus misschien is ‘oorlog’ een wat overdreven benaming, laten we het een ‘schermutseling’ noemen. Maar wie tegen wie?

In termen van Een Cursus in Wonderen is het ’t beste te omschrijven als een gevecht van de ego-denkgeest tegen de juist gerichte denkgeest. Die juist gerichte denkgeest vecht niet werkelijk terug, maar wacht rustig af tot de ego-denkgeest uitgeput is en het voor een tijdje weer opgeeft — net als een kleuter die een woedeaanval heeft en op een gegeven moment doodmoe neerstort.

Meer spiritueel bekeken, is het te omschrijven als valse-zelf tegen ware-zelf, waarbij ware-zelf weet dat het in feite geen-zelf is en om die reden niet terug hoeft te vechten; ware-geen-zelf hoeft alleen af te wachten tot valse-zelf het opgeeft. Hoe we het omschrijven maakt niet uit, het resultaat is een gevoel van onrust in het lichaam en het brein.

Dit is overigens niets om me zorgen over te maken, voor mij is het iets om blij mee te zijn, hoewel dit ‘blij zijn’ pas komt wanneer het voorbij is. Ik weet, inmiddels uit ervaring, dat als de ego-denkgeest — of kortweg ‘ego’ — in opstand komt, er iets aan het veranderen is waar de ego-denkgeest niet blij mee is… en dat is altijd goed, het betekent altijd ‘verder’.

De meest voor de hand liggende reactie op een gevoel van onrust, de reactie die de meeste mensen zullen hebben, is om dat onrustige gevoel kwijt te willen raken. Maar dat is precies de reden waarom de ego-denkgeest deze schermutseling is begonnen, dus de onrust bestrijden is vanzelfsprekend precies wat ik niet wil doen. De ego-denkgeest is niet werkelijk iets en verzet en strijd hiertegen geeft het juist een realiteit die het niet heeft.

De manier om hiermee om te gaan, voor mij, is om me te realiseren dat ik in werkelijkheid — in absolute waarheid — de toeschouwer ben en het gebeuren slechts waarneem. Het is dan alsof ik in een toneelzaal zit en naar een voorstelling kijk. Ik ervaar het effect van de emoties op toneel en het verhaal dat uitgebeeld wordt, maar ik weet dat het niet waar is en dat het niets met mij te maken heeft.

Ik los de onrust op het toneel niet op door, bijvoorbeeld, alcohol te gaan drinken en ook niet door te gaan sporten of andere afleiding te zoeken. Wat ook niets oplevert is om boos te worden of mijzelf te verzuipen in een pesthumeur. Het enige wat ik kan doen, is me realiseren dat het slechts een voorstelling is die op een gegeven moment tot een einde komt. Ik kan dan simpelweg kijken naar wat er gebeurt en af en toe zelfs lachen om de absurditeit van het toneelstuk.

De denkgeest en de droom

Metafysica is een tricky iets, het onderzoekt namelijk niet “de werkelijkheid [..] zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke of instrumentele waarneming (wat bijvoorbeeld de fysica doet), maar [gaat] op zoek [..] naar het wezen van die werkelijkheid en wat er achter zit” [wiki] waardoor het al snel klinkt als fantasie, geloof of waan. Toch voel ik de noodzaak om vanuit de metafysica het een en ander neer te pennen.

Zoals in Een Cursus in Wonderen wordt beschreven, maar wat ook in andere spirituele stromingen, leringen en filosofieën is terug te vinden, is dit leven op aarde niets anders dan illusie, symbolisch omschreven als het dromen van een droom. Het is de externe projectie van de innerlijke conditie van een ‘denkgeest’ in de vorm van een personage (ik) in een wereld. Als we die ‘externe projectie van de innerlijke conditie’ symbolisch beschrijven als het dromen van een droom, dan houdt dit automatisch in dat die ‘denkgeest’ de dromer van die droom is.

‘Denkgeest’ is een symbolisch beeld voor een schijnbaar deel van Eénheid dat het idiote idee had dat het zich kon afscheiden van die Eénheid en sindsdien een droom droomt van dualisme. Die ‘denkgeest’ is dus niets anders dan een symbolisch beeld van het idiote idee van afscheiding en niet iets fysiek tastbaars.

Binnen het dromen van een droom is er altijd één personage waar de dromer zich mee identificeert en dat is de held van de droom. Die held is altijd het vormgegeven beeld van de dromer, zoals de ‘held’ in de dromen die wij ’s nachts dromen, ook altijd het vormgegeven beeld is van onszelf. Dit betekent automatisch, dat:

Als de ‘denkgeest’ de dromer van de droom is
En ik mij identificeer met de ‘held van de droom’
Dan ben ik die denkgeest.

Door het geloof in de werkelijkheid van die afscheiding, ontstaat er schijnbaar een ‘denkgeest’ die droomt van dualisme, en door het geloof in de werkelijkheid en waarheid van die droom, alsmede door de identificatie met de ‘held van de droom’, ontstaat er een ‘ik’ in een wereld en die ‘ik’ ben ik (Frits) — althans, ik geloof die ‘ik’ te zijn, in feite ben ik die ‘denkgeest’.

En dan begint hier pas hetgeen ik wilde schrijven, maar blijkbaar had ik een lange inleiding nodig…

IK (denkgeest) ben de dromer van de droom. Dat houdt automatisch in dat ik (Frits) de ‘held van de droom’ ben en dat de wereld om mij heen precies is wat IK (denkgeest) wil dromen. Ik (Frits) weet in principe niet dat ik gedroomd word en geloof daarom dat ik echt besta en een leven heb in een wereld waarmee ik moet onderhandelen om te kunnen overleven.

IK (denkgeest) weet niet dat IK droom (net zoals we tijdens onze nachtelijke dromen niet weten dat we dromen). IK (denkgeest) neem de droom voor waar aan, omdat IK werkelijk geloof dat IK me heb afgescheiden van Eénheid. (Wat onmogelijk is, omdat Eénheid minus een afgescheiden deel geen Eénheid meer kan zijn en het hele idee van Eénheid nou eenmaal is dat het een eenheid is.)

Onbewust stuur IK (denkgeest) die droom zo dat het de afscheiding van Eénheid keer op keer bevestigt. IK (denkgeest) bombardeer mijzelf (Frits) op een geweldig hoog tempo voortdurend met ‘bewijzen’ van dualisme, waardoor er geen tijd en ruimte is om te realiseren dat het maar een droom is en dat het idiote idee van afscheiding van Eénheid nooit is uitgevoerd en de separatie nooit heeft plaatsgevonden.

Eénheid is nog steeds Eénheid;
Er is geen twee.

Het resultaat, voor nu, voor mij (Frits), is dat mijn perceptie steeds fluctueert tussen ik (Frits) en IK (denkgeest). Ik (Frits) ervaar een wereld die me niet aanstaat en wil daar graag verandering aan toebrengen, maar ben daartoe niet in staat. De wereld die ervaren wordt, bestaat namelijk alleen als droom in MIJ (denkgeest) en niet rondom mij (Frits), dus ik (Frits) kan niets veranderen in of aan die wereld, omdat ook ik (Frits) alleen besta als ‘held van de droom’ in de droom in MIJ (denkgeest).

Noot: Vandaar dat Een Cursus in Wonderen ook voorstelt om niet de wereld te veranderen, maar je gedachten over de wereld te veranderen, en die gedachten vinden plaats in de ‘denkgeest’, waar geloofd wordt dat de gedroomde wereld werkelijkheid is, en niet in mij (Frits), wat slechts een droompersonage is in de gedroomde wereld.

Het lastige van dit verhaal, is dat het binnen dat verhaal, dus binnen de droom, wel kan worden begrepen, maar nooit volledig kan worden geaccepteerd en geleefd. Zodra de ‘held van de droom’ er mee aan de gang gaat, wordt het verwerkt door een gedroomd brein (de hersenen) in die droom en wordt het gezien en onderzocht door de bril van de fysica. Dat is net zoiets als de appel onderzoeken met instrumenten en apparaten die gericht zijn op bananen; dat levert een vertekend en verkeerd beeld op van de appel.

Voor iemand die zich volledig identificeert met de ‘held van de droom’ en volledig gelooft in de werkelijkheid en waarheid van de droom, is het volslagen mesjokke en gestoord om ook maar voor te stellen dat hij alleen maar ‘denkgeest’ is die droomt. Het is voor hem onmogelijk om voor te stellen dat er verder niemand is en dat letterlijk alles wat hij ziet en meemaakt een projectie is van zijn eigen fantasie, maar dat is precies wat dit is.

Het meest gestoorde hiervan, is dat ik (Frits) geloof en ervaar dat ik interactie heb met andere mensen, die zelf ook een leven hebben en dingen meemaken waar ik geen deel van uitmaak, terwijl niets van dat alles waar is. Het is een soort van schizofrene droom waarin ik alle rollen speel en meteen vergeet dat dit zo is, waardoor ik me druk kan maken over wat een ander doet, zegt of gelooft, en over wat een ander misschien zal denken over wat ik doe, zeg of geloof, terwijl ik zelf al die rollen speel en ik zelf het script heb geschreven en de regie voer. Niet ik (Frits) maar IK (denkgeest), aangezien ‘ik (Frits)’ ook zo’n rol is.

Terwijl ik dit schrijf, voel ik hoe het brein van mij (Frits) in een soort van gekte belandt. Hoe het bijna doordraait, omdat het niet kan vatten en verwerken wat er net geschreven is (hoe schizofreen is dat?).

Het idee dat IK (denkgeest) de enige ben die zeggenschap heeft en sturing geeft aan een als realiteit ervaren droom, maar dat IK (denkgeest) mij daar niet bewust van ben en dus niet werkelijk zeggenschap heb of sturing geef, en dat er verder niemand anders is die iets doet of kan doen, inclusief ikzelf (Frits), is voor het droompersonage ‘Frits’, de ‘held van de droom’, niet te bevatten.

Het idee dat alles en iedereen om mij heen, inclusief mijzelf, alleen bestaat in de droom die IK (denkgeest) droom, is met recht waanzinnig te noemen… en toch is het zo.

[‘FRITS’ LACHT HYSTERISCH. LICHTEN DOVEN EN HET DOEK VALT. IN HET DONKER HET GELUID VAN EEN PISTOOLSCHOT]