Verder: poging 2

Van alles valt weg, alsof het universum (of hoe je het ook wilt noemen, hogere macht, heilige geest; geef het beestje maar een naam) aangeeft dat alles losgelaten en verwijderd moet worden. Niet door mij, maar als gebeurtenis, als beweging, als de richting waarin het onvermijdelijk gaat.

Ik heb even gekeken naar de headlines op de lokale nieuwssite; nooit een goed idee, maar goed, ik heb het gedaan. Vanaf 1 juni moet iedereen die gebruik maakt van het openbaar vervoer een mondkapje dragen. Nu maak ik nooit gebruik van het openbaar vervoer, maar hieronder vallen dus ook de veerponten die ik nodig heb om naar Amsterdam-Noord en Zaandam te gaan. Ik ben niet heel erg bereid om een mondkapje te dragen, dus dat levert de vraag op: ga ik er in mee of niet, met als gevolg dat ik me niet vrij kan bewegen als ik naar Amsterdam-Noord of Zaandam wil?

Verder zullen er geen evenementen kunnen worden georganiseerd tot er een vaccin is tegen Covid-19 en dat impliceert automatisch dat er alleen weer evenementen mogen worden georganiseerd wanneer iedereen gevaccineerd is, en dat impliceert dat uiteindelijk gedwongen of deels gedwongen vaccinatie nodig kan zijn. Opnieuw de vraag: ga ik daar in mee of niet, met als gevolg dat georganiseerde evenementen voor mij onmogelijk zijn, of bij deels of volledig gedwongen vaccinatie, normaal functioneren voor mij onmogelijk is?

Dit zijn geen politieke statements, ik zeg niet dat wat er nu gebeurt goed of fout is en ik ben inmiddels voorbij het punt waarop ik van mening ben dat het niet zo zou moeten zijn. Ik probeer alleen duidelijk te maken dat dit alles allemaal aanwijzingen zijn voor mij, want ik zie het zo.

Het zijn patronen die voor mij zichtbaar worden en onmiskenbaar aangeven dat van alles moet worden losgelaten en dat van alles moet wegvallen — opnieuw, niet door mij, maar als gebeurtenis, als beweging, als de richting waarin het onvermijdelijk gaat — omdat ‘gewoon’ of ‘normaal’ meedoen niet te doen is… voor mij!

De keuze die ik voor mij zie, is tussen:

  1. conformeren aan de waanzin van de egodenkgeest (mondkapje, anderhalvemetermaatschappij, vaccineren, et cetera) en;
  2. zien dat het waanzin is en er niet aan conformeren; niet met verzet, maar door er geen energie in te stoppen, door het los te laten en het te laten gaan… met alle consequenties van dien.

Ik begrijp dat mijn keuze om mij niet te conformeren voor een aantal mensen niet leuk zal zijn, maar ik geloof niet dat het voor mij nog realistisch is om mijn gedrag, of mijn Zijn, aan te passen aan wat mensen om mij heen gelukkig zou maken. Iedereen die gelukkig wil zijn, moet zichzelf gelukkig maken… dat mag niet van mij en mijn Zijn afhangen. Het is ook niet realistisch voor mij om mee te doen aan iets wat overduidelijk waanzinnig is.

Alle patronen die zichtbaar worden, in de vorm van de in mijn perceptie krankzinnige beslissingen die in de wereld worden genomen, geven binnen ‘mijn’ denkgeest aan — wat vanzelfsprekend een gespleten denkgeest is en niet DE Denkgeest — dat het dat niet wil, wat zich binnen mensentaal vertaalt als “dat ik dat niet wil.”

In plaats van te blijven hangen in “Dat wil ik niet!”, komt de vraag “Wat wil ik dan?” op. Duidelijkheid over het doel hoort aan het begin en bepaalt de uitkomst, zoals Een Cursus in W0nderen ook zegt:

“In elke situatie waarin je onzeker bent, is het eerste wat je dient na te gaan heel eenvoudig: ‘Wat wil ik dat hiervan komt? Waartoe dient het?’ Opheldering over het doel hoort thuis aan het begin, want dat zal de afloop bepalen. In de handelwijze van het ego is dit omgekeerd. De situatie wordt bepalend voor de afloop, die om het even wat kan zijn. De reden voor deze ongeorganiseerde aanpak is evident. Het ego heeft er geen benul van wat het als resultaat van de situatie wil. Het beseft wat het niet wil, maar dat is dan ook het enige. Het heeft volstrekt geen positief doel.”

— ECIW, Hoofdstuk 17 VI: Het bepalen van het doel.

Hoe het er dan gaat uitzien en waar het naartoe leidt, wat dat betekent voor actiefiguur ‘Frits’ en zijn directe omgeving, is voor mij net zo’n verrassing als voor ieder ander, maar ‘hier’ heerst wel heel duidelijk het gevoel dat de keuze is gemaakt. Helderheid over het doel is het enige wat hiervoor nodig is, want als het doel helder is, is de afloop bepaald en hoef ik niets te doen.

“Nu hoef jij je slechts te herinneren dat je niets hoeft te doen. Je zou er veel meer baat bij hebben je nu alleen hierop te concentreren dan erover te peinzen wat je moet doen. Wanneer ten langen leste vrede komt voor hen die worstelen met verleiding en vechten tegen het toegeven aan zonde; wanneer het licht uiteindelijk komt in de denkgeest die zich aan contemplatie heeft overgegeven; of wanneer het doel tenslotte door wie ook wordt bereikt, dan gaat dit steeds met maar één gelukkig inzicht gepaard: ‘Ik hoef niets te doen.’”

— ECIW, Hoofdstuk 18 VII: Ik hoef niets te doen.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag